A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N O
P
| Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z | toelichting

 

C

cachexia = tering, tuberculose
cadere, cecidi, casum II = vallen; cadere ab ook: kwijtraken
cacaborum malleator, -is = pannengieter
cacubarius = kachelmaker
caduceator, -is = heraut; stratenmaker
caecus = blind
caelebs, -libis = vrijgezel
caementarius = metselaar
Caesar, -is = Keizer
caesareus = keizerlijk
calcarius = kalkbrander
calc(e/i)arius = schoenmaker
caldarifex, -ficis = ketelmaker
calefactor, -is = stoker
Caletum = Calais
calciarius = schoenmaker
Caletum = Calais
calidus = warm
califex, -ficis = schoenmaker
caligator, -is = kousen-, laarzen-, broekenmaker
calum(p)niare = gerechtelijk protest aantekenen tegen
cambiator, -is = wisselaar
camerarius / camerae propositus = kamerheer
Campi(s) = (te) Kampen
Campoveria / Veria / Vurnia = Veere
campanarius = klokkenluider
campus = kamp (omheind land), veld
campi custos = veldwachter
canabum = hennep
cancellare = doorhalen
candela = kaars
candidarius = bleker
canonicus = kanunnik; wereldlijk
cantor, -is = zanger
capillamentarius = pruikenmaker
capitulum = kapittel (college van kanunniken)
capsarius = dozenmaker
carcanum = halsijzer voor misdadigers
carere, carui II + abl. = missen
carminator, is = kaarder
carminum opifex, -ficis = kaardenmaker
carnarius = slager
carnifex, -ficis = slager
Caroloregium = Charleroi
carpentarius = timmerman
carrucarius = voerman
cas(s)a = huis
castigare = tuchtigen; (boek) corrigeren
Cataracta Gandavensis = Sas van Gent
catopt(r)icus = spiegelmaker
Cattorum Vicus = Katwijk
cauculus = potsenmaker
caupo, -nis = waard, herbergier
caupona = kroeg, herberg
causa = oorzaak, rechtszaak
    causa mortis = doodsoorzaak
causidicus = advocaat
cautio, -onis F = borgtocht, onderpand
Carvo = Grave
Casandria = Cadzand
cedere, cessi, cessum III = wijken; overdragen
cel..., coel... zie ook: cael...
celebrare = vieren
cellarium = kelder
cellarius = keldermeester
Cembum zie: Cenebum
ceme- zie: coeme-
Cena domini = (Maaltijd des Heren:) Witte donderdag
Cenebum = Gennep
censuarius = erfpachter
census, -us = cijns
    census vicinorum = gebuurcijns
centenarius = honderdjarige
centesimus = honderdste
centum = honderd
cerdo, -nis = schoenmaker, leerlooier
cerevisia = bier
    -iae coctor = bierbrouwer
    -iae dispensator = bierverkoper, kroegbaas
cerdo, -nis = schoenmaker
certus = zeker
ceterus = overig
cetera (N plur.) = de overige dingen, de rest
chalcographus = kopergraveur
charta = papier
chartarius = papiermaker
Chattorum Vicus = Katwijk
chelista = violist
chiliarchus = opperbevelhebber, overste
Chilonium = Kiel (D)
chirotecarius = handschoenenmaker
chirurgus = dokter
choralis = koorknaap
chorus = koor
christianus = christelijk
    christiane = op christelijke wijze
chymiator / chymicus = chemicus
cimiterium, zie: coemeterium = kerkhof
circa + acc. = rond, omstreeks
circalator = landloper
circinarius = hoepelmaker
circumcellio, -nis = rondzwervende monnik
Circumcisio Domini = Besnijdenis des Heren (1 jan.)
cist(i)arius = kisten-, kastenmaker
civilis = burgerlijk
civis, -is = burger
civissa = burgeres
civitas, -tatis = stad
Claraevallum = Clervaux
   
Bernardus Claraevallensis = Bernard van Clervaux
clarissimus = zeer vermaard
claudere, clausi, clausum III = (af)sluiten
claudus = kreupel
claustrarius = deurwachter
claustrum = klooster
Clausulae / Clusa = Sluis
clausus van claudere = gesloten
    tempus clausum = "gesloten tijd", waarin trouwen niet mag, d.w.z. Advent en Vastentijd
clavarius / clavicularius = spijkersmid
clericus = geestelijke, geleerde, student; klerk
Cleva, ClevŠ = Kleef, te Kleef
clibanarius = ovengieter
cloacarius = beerputgraver
Clusa / Clausulae = Sluis
clusor, -is = smid
coctor (cerevisiae) = (bier)brouwer
    (placentarum) = koekenbakker
cocus = kok
coelebs zie: caelebs = vrijgezel, ongehuwd
coemeterium = kerkhof
coena zie: cena
cognatio, -nis F = bloedverwantschap
cognatus = bloedverwant
cohaeres, -redis = mede-erfgenaam
collateralis = in de zijlijn
collatio, -nis F = benoeming, toewijzing
collector, is = belastinginner
Colonia Agrippina = Keulen
coloniensis = Keuls
colonus = pachter
colorator, -is = verver
comes, -mitis = graaf
    comes palatinus = paltsgraaf
    Haga Comitis = 's-Gravenhage
comitatus, -us M = graafschap; gezelschap
comitissa = gravin
commater, -tris = meter, peettante
commendator, oris = commandeur
commissio, -nis F = opdracht, toestemming
commorari = verblijven, wonen
    commorans, -ntis = verblijvend, wonend
communio, -nis F = communie
communis = gemeenschappelijk; gewoon
communista = gemeentedienaar
communitas, -tatis F = gemene gronden, gemeente
compactor (librorum) = (boek)binder
comparare = verschijnen; kopen
compater, -tris = peter, peetoom
competere, competivi, competitum III = toekomen
compos + gen. = in het bezit van
computare = rekenen
concessio, -nis F = afstand (die men doet)
Conceptio MariŠ = Maria Ontvangenis (8 dec.)
concilium = concilie
    iuxta concilii Tridentini decreta = volgens de besluiten van het concilie van Trente
concordare = overeenkomen (kopie met origineel)
concubinatus, -us = samenwonen buiten huwelijk
condemnare = veroordelen
condicio, -nis F (vaak: conditio) = voorwaarde; toestand, beroep
    sub condicione = onder voorwaarde (dopen: na een nooddoop)
    sub hac condicione = onder deze voorwaarde
condicta = bruid
condictus = bruidegom
condimentarius = kruiden-, specerijenhandelaar, drogist
conducere, conduxi, conductum III = huren
conducticius = dagloner
conductus, -us = geleide
condus = keukenmeester
confector, -is = maker van
    confector laterorum = dakpannenmaker
conferre, contuli, collatum = toewijzen
confessio, -nis F = biecht
conficere (-io), confeci, confectum III = (op)maken
confinis = aangrenzend
confinium = aangrenzend gebied
confirmatus = gevormd
    confirmatorum = van de gevormden
confiteri, confessus sum = bekennen, biechten
    confessus = na te hebben gebiecht
Confluentia = Koblenz
congeneralis = verwant
coniugare = in het huwelijk verbinden
coniugatio, -nis F = huwelijk
coniugatus = gehuwd
coniugialis = huwelijks-
coniugis van coniunx = van de echtgeno(o)t(e)
coniugium = huwelijk
coniugum van coniunx = van de echtgenoten
coniunctio, -nis F = verbintenis, huwelijk; verwantschap
coniungere, coniunxi, coniunctum III = verbinden
    matrimonio coniungere = in de echt verbinden
   
matrimonio coniunxi = ik heb in de echt verbonden
    matrimonio coniuncti = in de echt verbonden, getrouwd
coniu(n)x, -iugis = echtgeno(o)t(e)
conlugum = van de echtgenoten
con(n)ubium = huwelijk
consanguineus = bloedverwant
consanguinitas, -tatis F = bloedverwantschap
    consanguinitatis impedimentum = het beletsel, gevormd door bloedverwantschap
consensus, -us M = toestemming
    consensu parentum = met toestemming van de ouders
    de meo consensu = met mijn toestemming
consentio, -nis F = toestemming
consiliarius = raad, raadsheer
consilium = raad
consobrina = nicht, kind van zuster
consobrinus = neef, kind van zuster
conspicillarius = brillenmaker
consuetus = gebruikelijk
consul, -is = schout, raadsheer, senator, burgemeester
continere, continui II = omvatten
contionator, -is = prediker, pastoor
contra + acc. = tegen
contrahere, contraxi, contractum III = sluiten (bijv. huwelijk)
contrapignus, -noris N = onderpand
contumacia = verstek, weerspannigheid
contumax, -macis = die niet komt opdagen bij een rechtzaak
conventualis, -is = kloosterling
conventus, -us = klooster , convent
convertere, conversi, conversum III = bekeren
    conversus = bekeerd
convicinus = buur
coopertor, -is = dakdekker
copula = band
copulare = trouwen, in de echt verbinden
copulatio = huwelijksvoltrekking
coram + abl. = ten overstaan van, aan, in het bijzijn van
corbo, -nis = mandenvlechter
cordarius = touwmaker, touwslager
cordifex, -ficis = touwslager
Coriovallum / Huleri = Heerlen
corpus, -poris N = lichaam, lijk
Corpus Christi = Sacramentsdag
corrigator, -is / corrigiarius = gordel-, riemenmaker
Cortracum / Cutracum = Kortrijk
costa = rib; vrouw
Covordia = Coevorden
creator, -is = schepper, de Schepper
creditum = het verschuldigde, vordering
criminalis (causa) = straf-(zaak)
cui zie: qui = aan wie, waaraan
cuius zie qui = wiens, wier, van welke
culcit(r)arius = pijenmaker
cultellarius = messensmid
cum + abl. = met
cuparius = kuiper
cupendinarius = koekenbakker
cuprarius = kopersmid
cura = zorg
   
cura animarum = zielzorg
curandus/a = pleegzoon/pleegdochter, pupil
curare = zorgen voor
curator, -is = voogd; curator
curatus = pastoor, belast met zielzorg (cura animarum, curia)
   
beneficium curatum = een ambt, waaraan zielzorg verbonden is
curia = hof; raadhuis; zielzorg
currarius (faber) = wagenmaker
cursor, -is = bode
custos, custodis = bewaker, koster
Cutracum / Cortracum = Kortrijk

 

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N O
P
| Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z | toelichting